Turkije Instituut, april 2009
Waar Prof. Dr. Erik-Jan Zürcher voorzitter Wetenschappelijke Adviesraad is (The Netherlands)

De huidige ‘Armeense kwestie’ verwijst naar de onenigheid over de interpretatie van de lotgevallen van de Osmaanse Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918). Talat Paşa (minister van Binnenlandse zaken en een van de leiders van de toenmalige Osmaanse regering) verordonneerde waarschijnlijk in maart 1915 de ‘relocatie’ van de Armeense bevolking vanuit Oost- en Centraal-Anatolïe naar de Syrische woestijn, als een oorlogsmaatregel om de nationale veiligheid te garanderen.


De Armeense kwestie

Turkije Instituut, april 2009
Waar Prof. Dr. Erik-Jan Zürcher voorzitter Wetenschappelijke Adviesraad is (The Netherlands)

De huidige ‘Armeense kwestie’ verwijst naar de onenigheid over de interpretatie van de lotgevallen van de Osmaanse Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog (1914-1918).

Talat Paşa (minister van Binnenlandse zaken en een van de leiders van de toenmalige Osmaanse regering) verordonneerde waarschijnlijk in maart 1915 de ‘relocatie’ van de Armeense bevolking vanuit Oost- en Centraal-Anatolïe naar de Syrische woestijn, als een oorlogsmaatregel om de nationale veiligheid te garanderen. In mei begon de feitelijke deportatie en na de zomer volgde de deportatie van Armeniërs uit het westen. In de periode tot de late zomer van 1916 kwamen (naar schatting) tussen 600.000 en 800.000 Armeniërs om. Ze werden het slachtoffer van massale executies, aanvallen door paramilitaire bendes, ziekte en uitputting tijdens soms maandenlange marsen naar het zuiden.

De discussie over de Armeense kwestie spitst zich meestal toe op de vraag, of de deportatie van Osmaanse Armeniërs in 1915-16 kwalificeert als genocide.

Het debat over de Armeense kwestie is uiterst beladen en gepolitiseerd. Niet alleen onder historici is onenigheid over de precieze aard van de gebeurtenissen, ook onder opiniemakers en politici is de kwestie onderwerp geworden van een publiek debat. In Turkije, maar ook door Turken en niet-Turken buiten Turkije, wordt vaak ontstemd gereageerd op wat wordt beschouwd als valse aantijgingen van genocide. Anderzijds lobbyen veel Armeniërs juist voor de officiële erkenning van de genocide door de internationale politiek, zoals het Amerikaanse Congres. Tegelijkertijd zetten bijvoorbeeld politieke tegenstanders van Turkse toetreding tot de EU, Turkije’s ontoegeeflijke standpunt over de kwestie in als een blijk van ongeschiktheid: een land dat zijn eigen geschiedenis niet onder ogen kan zien hoort niet bij Europa, betogen zij. Diverse nationale parlementen hebben de Armeense genocide door middel van een resolutie officieel erkend, tot uitgesproken ongenoegen van het Turkse regime.

De Armeense kwestie is, zoveel is duidelijk, geen zuiver historische aangelegenheid. Integendeel: het debat over de Armeense kwestie reflecteert niet alleen verschillende opvattingen over de geschiedenis van het Osmaanse Rijk en de Republiek Turkije, maar ook over de relatie tussen Turkije en Europa en de Turkse nationale identiteit. De betrokkenheid van latere Turkse leiders draagt bij aan de gevoeligheid van de kwestie. Het is daarnaast opvallend dat in het publieke debat de bredere historische context vaak ontbreekt en het nogal eens schort aan een juist begrip van de term genocide.

Controverse onder historici
Het verloop van de deportaties in 1915-16 en de omstandigheden waarin vele Armeniërs omkwamen worden in academische kringen buiten Turkije algemeen als historische feiten aanvaard. Over een drietal aspecten van de kwestie verschillen historici echter van mening. In de eerste plaats de militaire noodzaak als rechtvaardiging van de deportatie van Armeniërs weg van het oostelijk oorlogsfront. Armeniërs zouden collaboreren met Rusland, waarmee het Osmaanse Rijk in oorlog verkeerde, en een reële interne bedreiging vormen voor het voortbestaan van het Rijk. In de tweede plaats betreft het de aantallen, waarbij sommige Turkse historici uitgaan van 200.000 doden, terwijl Armeense auteurs soms een slachtofferaantal van anderhalf miljoen hanteren. Turkse historici benadrukken bovendien dat in gevechten tussen het Turkse leger en Armeense milities ook veel Turken gedood werden. In de derde plaats gaat het om de achterliggende intentie van de massamoorden. Een plan tot uitroeiing of een systematiek in de uitvoering die wijst op een intentie tot vernietiging, onderscheidt genocide namelijk van massamoord.

In het aantonen van de intentie ligt de kern van de controverse. Immers, hoe bewijs je dat de Osmaanse regering tot doel had de Armeense gemeenschap uit de weg te ruimen? Volgens sommige historici wijst de afwezigheid van bronnen die een uitdrukkelijk bevel tot uitroeiing bevatten op de onmogelijkheid van een dergelijke maatregel. Inderdaad is in de Osmaanse archieven een expliciet bevel tot uitroeiing niet terug te vinden.

Volgens anderen is uit de beschikbare bronnen en de manier waarop de deportatie van Armeniërs werd uitgevoerd wel degelijk een vooropgezet plan tot uitroeiing af te leiden. Zij baseren zich op de vele rapporten, getuigenissen van overlevenden en ooggetuigenverslagen van buitenlandse diplomaten en missionarissen - waaronder die in de archieven van Duitsland, bondgenoot tijdens WOI. Bovendien werden de deportaties en moordpartijen op Armeniërs na afloop van de oorlog in 1919 onderzocht door een Turks militair tribunaal, dat ook de hoofdverantwoordelijken (in absentia) ter dood veroordeelde.

Het Turkse standpunt over de Armeense kwestie
De Turkse staat ontkent dat er in 1915 een genocide heeft plaatsgevonden. Hij bestrijdt de toepasbaarheid van het begrip genocide en relativeert de gebeurtenissen. Het was oorlog en er vielen veel slachtoffers door gewapende strijd, honger en ziektes: Armeniërs, maar nog veel meer Turken en andere moslims. De kwestie wordt consequent aangeduid als de ‘zogenaamde genocide’ of er wordt verwezen naar ‘de Armeense beschuldigingen’. Op de Engelstalige websites van een aantal Turkse ministeries wordt uitvoerig aandacht besteed aan de Armeense kwestie, en zijn talloze publicaties en bronnen te vinden die het Turkse standpunt bestendigen. In sommige van dergelijke overheidspublicaties wordt de kwestie omgedraaid: het was een genocide op Osmaanse Turken gepleegd door Armeniërs.

Sinds een aantal jaar benadrukt de Turkse regering dat de Armeense kwestie niet op de (internationale) politieke agenda thuishoort, en dat verder historisch onderzoek naar de 'gebeurtenissen van 1915' nodig is. Zo stelde premier Erdoğan in april 2005 voor een gezamenlijk Turks-Armeense commissie in te stellen om de gebeurtenissen tijdens WOI te onderzoeken – een voorstel waar de Armeense regering tot op heden niet op is ingegaan. Of een dergelijke commissie zal worden opgericht nu (april 2009) Turkije en Armenie zich officieel hebben gecommiteerd aan een verzoeningsproces, is onduidelijk.

Nationale geschiedenis
Het ontkennen van de Armeense genocide is een van de fundamenten waarop de in Turkije dominante visie op de nationale geschiedenis berust. In de periode 1914-1923 ligt de nadruk op de nationale onafhankelijkheidsstrijd direct na WOI en de stichting van de Republiek Turkije in 1923. Daarin is geen plaats voor opvattingen over de deportatie van Armeniërs die de helden van die periode in een kwaad daglicht stellen en tornen aan de fundamenten van de Turkse nationale identiteit. Bovendien bekleedden nogal wat mensen die direct bij de vervolgingen betrokken waren geweest in die vroege periode (tot de jaren ’40) invloedrijke functies.

De officiële lezing van de gebeurtenissen is dat Armeniërs heulden met vijand Rusland en een gevaar binnen de grenzen van het Rijk vormden. Volgens deze lezing konden de Osmaanse leiders niet anders dan zich hiertegen teweer stellen en besloten zij derhalve tot de ‘relocatie’ van een gehele bevolkingsgroep. Of deze bedreiging reëel was, is onderwerp van controverse. Dat de toenmalige Osmaanse leiders Armeens nationalistisch verzet als dreiging ervoeren is, gezien de negentiende-eeuwse geschiedenis van het Osmaanse Rijk, wel begrijpelijk. Het Osmaanse Rijk was in de loop van de negentiende eeuw immers aanzienlijk in verval geraakt en zijn gezag verzwakt, als gevolg van dreigingen van buitenaf (imperialistische grootmachten) en van binnenuit (toenemend nationalisme onder minderheden).

Overigens was er tot de jaren ’60 geen sprake van een systematische ontkenning van de moord op de Armeniërs; tot die tijd zweeg de Turkse overheid in alle toonaarden over de kwestie. Rond 1965 echter, 50 jaar na de deportaties en massamoorden, trad de kwestie op de voorgrond. Toen begonnen Armeense activisten, met name uit de Diaspora-gemeenschap, te ijveren voor erkenning van de genocide. In de periode 1973-1985 pleegden verschillende terroristische groepen, waaronder de Armenian Secret Army for the Liberation of Armenia (ASALA), aanslagen op Turkse doelen en vermoordden zeker 30 Turkse diplomaten. Hoewel internationaal veroordeeld, brachten de aanslagen de Armeense kwestie onder de aandacht van de internationale media en publieke opinie. Vanaf die tijd nam de doelbewuste genocideontkenning van officiële Turkse zijde steeds duidelijker vormen aan.

Openlijk de officiële lezing van de Turkse geschiedenis in twijfel trekken wordt niet gewaardeerd. Diverse journalisten en schrijvers (onder wie Orhan Pamuk) die over (de mogelijkheid van) genocide spraken of schreven, zijn aangeklaagd op grond van artikel 301 van het wetboek van strafrecht. Dat artikel stelt belediging van Turkije en de Turkse nationale identiteit strafbaar - iedere Turk kan zich daarop beroepen om iemand aan te klagen. Al leiden die aanklachten meestal niet tot een veroordeling, het geeft wel weer hoe verdeeld de Turkse samenleving is over de kwestie.

Desalniettemin wordt het taboe op de genocidekwestie in Turkije langzamerhand geslecht. In september 2005 vond in Istanbul een wetenschappelijke conferentie plaats over Osmaanse Armeniërs. Hoewel de bijeenkomst op veel verzet stuitte onder Turkse nationalisten, heeft ze de discussie over de pijnlijke geschiedenis aangezwengeld. De behoefte aan informatie, discussie en dialoog met de buren neemt toe. In december 2008 opende een groep Turkse intellectuelen een online petitie waarin zij hun verontschuldigingen aanboden voor de 'Grote Catastrofe van 1915', wat tot een hevige controverse leidde in de Turkse publieke opinie.

Wat is genocide?
Was het wel of geen genocide? Die vraag staat centraal in de discussie over de Armeense kwestie. Maar wat is genocide eigenlijk precies en waarom is het gebruik van de term zo beladen?

Het begrip genocide werd in 1944 gemunt door de Poolse jurist Raphael Lemkin. Hij vroeg zich af waarom een individuele moord volgens internationaal geldend recht als misdaad werd bestempeld, maar het organiseren en aanzetten tot een massamoord zoals op de Armeense bevolking of de Europese joden, niet. Lemkin droeg bij aan de uiteindelijke totstandkoming van het Verdrag inzake de Voorkoming en de Bestraffing van Genocide van de Verenigde Naties (VN-genocideverdrag), dat in december 1948 door de Algemene Vergadering werd aangenomen. De belangrijkste verworvenheid van het verdrag is de definitie van genocide:

‘Artikel II
In dit Verdrag wordt onder genocide verstaan een van de volgende handelingen, gepleegd met de bedoeling om een nationale, etnische, godsdienstige groep, dan wel een groep, behorende tot een bepaald ras, geheel of gedeeltelijk als zodanig te vernietigen:
(a) het doden van leden van de groep;
(b) het toebrengen van ernstig lichamelijk of geestelijk letsel aan leden van de groep;
(c) het opzettelijk aan de groep opleggen van levensvoorwaarden die gericht zijn op haar gehele of gedeeltelijke lichamelijke vernietiging;
(d) het nemen van maatregelen, bedoeld om geboorten binnen de groep te voorkomen;
(e) het gewelddadig overbrengen van kinderen van de groep naar een andere groep.’

Deze juridische definitie van genocide wordt internationaal geaccepteerd en gehanteerd. Opvallend is de zinsnede ‘gepleegd met de bedoeling’: de intentie om een specifieke groep uit te roeien is de crux van de definitie. Immers, hoe toon je aan dat misdrijven tegen de menselijkheid de achterliggende bedoeling hadden om een specifieke groep uit te roeien. In het geval van de Holocaust is dat een uitgemaakte zaak, maar meestal zijn daders, verantwoordelijken en achterliggende intentie veel moeilijker te bepalen.

Het is niet verwonderlijk dat Turkije zich teweer stelt tegen het label genocide: de associatie met het naziregime en de Holocaust ligt voor de hand. Bovendien heerst de angst dat erkenning van genocide zal leiden tot compensatieclaims van Armeniërs, al zouden die op grond van het Genocideverdrag onhoudbaar zijn – dergelijke bepalingen van het verdrag zijn niet van toepassing op gebeurtenissen van vóór 1948. Turken wijzen op hun beurt vaak op de etnische zuiveringen die koloniale mogendheden in de negentiende en begin twintigste eeuw uitvoerden. Het feit dat het VN-genocideverdrag uit 1948 stamt, wordt bovendien vaak opgeworpen als bezwaar tegen de toepasbaarheid van zo’n moderne definitie op de gebeurtenissen van 1915-16.

De nadagen van het Osmaanse Rijk
De deportatie en massamoorden van Armeniërs hadden plaats in een roerige periode. De multi-etnische Osmaanse staat werd van buitenaf bedreigd door de Europese imperialistische grootmachten van die tijd: Rusland, Groot-Brittannië en Frankrijk, die hun oog hadden laten vallen op (delen van) het immense Rijk. Tegelijkertijd vormde het opkomend nationalisme onder minderheden, vaak aangewakkerd door diezelfde buitenlandse mogendheden, van binnenuit een bedreiging.

Het Osmaanse Rijk was in de tweede helft van de negentiende eeuw verzwakt als gevolg van oorlogen, militaire nederlagen en verlies van grondgebied, wat een enorme toestroom van vluchtelingen tot gevolg had. De sociale structuur en diffuse gedeelde identiteit van de Osmaanse onderdanen kwamen hierdoor onder druk te staan. Het Osmaanse Rijk, kortom, verkeerde in een crisis.


De Oosterse kwestie, hervormingen en het Verdrag van Berlijn
De opkomst van nationalisme in de negentiende eeuw vormde een bedreiging voor de eenheid en het voortbestaan van het multi-etnische Osmaanse Rijk. Het Rijk strekte zich uit van de Balkan tot het huidige Irak en omvatte verschillende nationaliteiten en religies. Christenen en joden genoten een zeker mate van autonomie binnen de eigen millet, een soort bestuurlijke eenheid binnen het Rijk. In ruil voor speciale belastingen werden zij getolereerd als tweederangsburgers, een systeem dat lange tijd goed functioneerde.

In de loop van de negentiende eeuw echter verzwakte het Osmaanse gezag, met name in de perifere Europese gebieden van het imperium. Het Rijk verwerd tot de ‘sick man of Europe’ en moest zich de steeds warmere belangstelling van de Europese grootmachten (Groot-Brittannië, Frankrijk en Oostenrijk-Hongarije) en Rusland laten welgevallen. Deze grootmachten vreesden voor een uitbreiding van elkanders invloedssfeer wat in strategisch opzicht tot een belangenconflict zou leiden. De zogeheten Oosterse kwestie – de vraag wat er met het zieltogende Osmaanse Rijk moest gebeuren zonder het machtsevenwicht op het Europese continent te verstoren, bepaalde in belangrijke mate de internationale politiek en diplomatie van de negentiende eeuw en maakte het Rijk steeds meer tot speelbal van Europa.

Hervormingen
De Osmaanse staat werd gedwongen te moderniseren om aansluiting bij het Europese internationale systeem te vinden en het voortbestaan van het Rijk te verzekeren. Het leger, de bureaucratie en het onderwijs werden tijdens de zogeheten Tanzimat (1839-1876) hervormd. Ook werden Osmaanse onderdanen voor de wet gelijk gesteld, ongeacht religie of etniciteit (hoewel de belasting voor niet-moslims werd gehandhaafd), en werd het gerechtelijk systeem grotendeels geseculariseerd. De regering hoopte hierdoor de groei van nationalisme en separatisme onder christelijke minderheden te stoppen en buitenlandse interventie uit naam van de christenen te voorkomen. Van oudsher bepaalden in het Osmaanse rijk de islam en het islamitisch recht echter de sociale en politieke verhoudingen tussen de verschillende religieuze gemeenschappen, een traditie die ondanks de officiële hervormingen niet gemakkelijk te doorbreken was.

Oorlog
In 1877 raakte het Osmaanse Rijk in oorlog met Rusland. Op het spel stond de controle over de Balkan en de Zuid-Europese gebieden van het Rijk. Het liep slecht af: met het vredesverdrag van Berlijn (1878) verloor het Osmaanse Rijk een derde van zijn territorium en een vijfde van zijn inwoners. De nederlaag was voor de autocratische sultan Abdülhamit II (r. 1876-1909) aanleiding om de politieke hervormingen waaronder de grondwet van 1876 op te schorten.

De sultan propageerde islamisme en een terugkeer naar traditionele waarden als tegenwicht voor het oprukkende nationalisme en liberalisme. Zijn houding reflecteerde ook de positie van het Rijk na de crisis van 1878: het was islamitischer geworden door het verlies van grotendeels christelijke gebieden en er was een stroom van berooide moslimvluchtelingen op gang gekomen, die grotendeels in Anatolië werd gevestigd. Hierdoor werd de demografische en daardoor sociaal-economische druk opgevoerd, een ontwikkeling die bijdroeg aan de toename van spanningen tussen moslims en christenen.

De positie van Armeniërs in het Osmaanse Rijk
In de loop van de negentiende eeuw ontstond in het Osmaanse Rijk een welvarende christelijke middenklasse, die profiteerde van de handelsprivileges voor de (christelijke) buitenlandse mogendheden, de zogenaamde capitulaties. Tot deze christelijke elite behoorden veel Armeniërs, maar de meeste Armeniërs waren boer in Oost-Anatolië waar ze een grote minderheid vormden. In eerste instantie probeerden Armeense leiders via politieke weg, bijvoorbeeld tijdens de vredesonderhandelingen in Berlijn (1878), hervormingen voor de Armeense gemeenschap te bewerkstelligen en internationale steun te verwerven.

Rond 1890 ontstonden echter zowel in Russisch Armenië (een deel van het tsaristische rijk) als in de Europese diaspora revolutionaire nationalistische bewegingen die ijverden voor Armeense onafhankelijkheid of ten minste autonomie, al kreeg dit streven weinig (militante) steun vanuit de Armeense gemeenschap. Een onafhankelijk Armenië in de oostelijke provincies was bovendien zeer onwaarschijnlijk. De focus van het desintegrerende Osmaanse Rijk kwam steeds meer te liggen op Anatolië als het moederland van de Osmaanse moslims, wat bovendien tot spanningen tussen moslims en christenen leidde.

In 1894 werd een Armeense opstand in Sasun (Oost-Anatolië) met harde hand neergeslagen. In 1895 en 1896 volgde een golf van massamoorden op Armeniërs, voornamelijk in het oosten, maar ook in Istanbul. Naast Koerdische paramilitaire eenheden, de zogenaamde Hamidiye-troepen, hadden ook ‘gewone’ moslims een aandeel in de wreedheden, waarbij in de periode 1894-1896 naar schatting 30.000 tot 100.000 Armeniërs omkwamen. Etnische spanningen vormden weliswaar zeker een vruchtbare voedingsbodem, maar de zogeheten Hamidiaanse (naar sultan Adbülhamit II) massamoorden werden minstens in enige mate van bovenaf georkestreerd om de roep om politieke hervormingen neer te slaan. Het was een instrument om de status-quo te behouden. Europese verontwaardiging hierover leidde echter niet tot interventie, verdeeld als Europa was over het diplomatieke beleid ten aanzien van het Rijk.

De opkomst van de Jong Turken
In juli 1908 kwamen leden van het İttihat ve Terakki Cemiyeti (Comité van Eenheid en Vooruitgang, hierna İT), een geheime politieke organisatie, in opstand tegen de sultan en zijn autoritaire, reactionaire bewind. Zij behoorden tot de oppositionele beweging van de zogeheten Jong Turken die rond de eeuwwisseling was ontstaan in Parijs. Het İT had een machtsbasis ontwikkeld in Macedonië waar jonge legerofficieren en ambtenaren zich aansloten bij de organisatie. De Unionisten (leden van het İT) propageerden zowel liberale politieke ideeën als Osmanisme, dat de eenheid en gelijkheid van de Osmaanse gemeenschappen tot doel had, gebaseerd op een gedeelde Osmaanse nationale identiteit.

Balkanoorlogen
Het beleid van het İT radicaliseerde echter naarmate de situatie van het Osmaanse Rijk verder verslechterde. In 1910 kwam (het overwegend islamitische) Albanië in opstand en in oktober 1912 verklaarden Servië, Montenegro, Bulgarije en Griekenland de oorlog aan het Osmaanse Rijk. Hoewel een radicale factie binnen het İT in 1913 de macht greep, kon het nieuwe regime niet verhinderen dat het Rijk bijna alle Europese gebiedsdelen verloor en opnieuw duizenden moslims uit hun woongebieden werden verdreven en een stroom van moslimvluchtelingen op gang kwam.

Na de staatsgreep vormde een aantal prominente Unionisten in de periode 1913-1918 een machtig triumviraat binnen de top van het İT: Talat, minister van Binnenlandse Zaken, Enver, minister van Oorlog, en Cemal, militair gouverneur van Istanbul. Het verlies van de Europese gebiedsdelen en het toenemende nationalisme onder de Osmaanse minderheden deed de leiders van de İT inzien dat van een Osmaanse eenheid geen sprake kon zijn. Osmanisme had definitief afgedaan als fundament van een gezamenlijke, allesomvattende identiteit. Na de Balkanoorlogen kreeg Turks nationalisme binnen het İT de overhand – overigens was na 1913 de meerderheid van de bevolking etnische Turk. Het ideaal van een eenheid van volken werd vervangen door de idee van een homogene nationale staat in Anatolië, met als uitgangspunt de dominantie van islamitische Turken.

Nationale economie
Deze ideologische verschuiving deed zich het meest ingrijpend gelden in het economische beleid, in 1914 geïntroduceerd onder de naam Milli İktisat (Nationale Economie). Het programma had tot doel de positie van de moslim-Turkse middenklasse te versterken. Dit ging ten koste van buitenlanders en christenen, die door nieuwe regelgeving (die neer kwam op onteigening) hun sterke positie in het economisch verkeer verloren. Christenen werden afgeschilderd als een bedreiging van de Turkse eenheid, verantwoordelijk voor de deplorabele staat waarin het land verkeerde.

In feite werd de economie ‘genationaliseerd’ en ‘gezuiverd’ van buitenlandse elementen. De Teşkilat-i Mahsusa (Speciale Organisatie), een paramilitaire organisatie die onder het bevel van Enver viel, speelde bij de ‘implementatie’ een belangrijke rol. Door middel van terreurcampagnes werden tienduizenden Grieken verdreven uit West-Anatolië; zij zochten hun toevlucht in Griekenland. Osmaanse Arabieren en Armeniërs bleven over als voornaamste minderheden zonder aanspraak op een eigen staat.

De Eerste Wereldoorlog en de vervolging van Armeniërs
In de opmaat naar de Eerste Wereldoorlog schaarde het İT-regime zich uiteindelijk aan de zijde van Duitsland. Deelname aan de grote Europese oorlog bood een uitgelezen mogelijkheid om de dreiging van binnenuit en van buitenaf op effectieve wijze het hoofd te bieden en de soevereiniteit van de Osmaanse staat te bekrachtigen. Oorlog was onvermijdelijk: Ruslands inmenging begin augustus 1914 verplichtte het Rijk volgens het verdrag met Duitsland tot deelname. Eind oktober bestookte de Osmaanse marine de Russische Zwarte Zee-kust en halverwege november was het officieel in oorlog met Rusland, Frankrijk en Engeland. Het Russische leger viel aan vanuit de Kaukasus. Een Osmaans tegenoffensief later die winter liep rampzalig af en liet de oostflank van het Rijk open.

Armeens verzet
Aangetrokken door de mogelijkheid van een Russische overwinning zochten veel Osmaans-Armeense nationalisten aansluiting bij Rusland, in de hoop steun te vinden voor Armeense onafhankelijkheid. Enkele duizenden namen dienst in het Russische leger. In de grensgebieden ontstonden guerrillabendes, die zich verdedigden tegen etnische vergeldingsacties van het Osmaanse leger en de Teşkilat-i Mahsusa. Hoewel het door nationalisme en separatisme geïnspireerde Armeense verzet kleinschalig was en geen brede steun genoot onder de Armeense bevolking, werd het door het İT-triumviraat als zeer bedreigend ervaren. Begin 1915 werden Armeense troepen (na de machtsovername door het İT werd vanaf 1909 ook onder niet-moslims gerekruteerd) op last van Enver ontwapend en ondergebracht in arbeidsbataljons.

Eind maart 1915 nam het Centrale Comité (de bestuurlijke top van het İT) vermoedelijk de beslissing om de gehele Armeense bevolking uit het oorlogsgebied te deporteren. Een grootscheepse Armeense opstand in de stad Van leek deze beslissing slechts te rechtvaardigen. In de nacht van 24 op 25 april werden in Istanbul ca. 250 prominente Armeniërs gearresteerd op verdenking van verraad en zonder enige vorm van proces geëxecuteerd, een patroon dat in andere steden navolging vond. De ruggengraat van de Armeense gemeenschap werd door deze maatregelen gebroken. 24 April wordt algemeen als het begin van de massamoorden beschouwd, juist omdat het een maatregel was die ‘onverdachte’ Armeniërs buiten het oorlogsgebied betrof en omdat de Osmaanse regering direct betrokken was.

Deportatie
Eind mei beval Talat de ‘relocatie’ van de Armeniërs, onder het mom van een oorlogsmaatregel om de bedreiging van de nationale veiligheid te bedwingen. De bestuurlijke coördinatie was in handen van Talat; de deportaties en massamoorden werden grotendeels uitgevoerd door de Teşkilat-i Mahsusa, onder leiding van dr. Bahaettin Şakir, een prominent lid van het Centrale Comité.

In de daaropvolgende maanden vond de feitelijke deportatie van de Armeense bevolking vanuit Oost- en Centraal-Anatolië naar de woestijn van Syrië plaats, met tussen 600.000 en 800.000 doden tot gevolg. Ze werden het slachtoffer van massale executies en aanvallen door paramilitaire bendes tijdens de soms maandenlange marsen naar het zuiden. Vele duizenden werden, net buiten de grens van hun woonplaats, massaal vermoord. De deportaties bleven niet beperkt tot de oorlogszone in het oosten: ook Armeniërs in West-Anatolië en Istanbul werden vervolgd en gedeporteerd. De weinigen die deze dodenmars overleefden, wachtte nauwelijks enige vorm van opvang en velen stierven alsnog van uitputting, ziektes en honger. De gehele operatie duurde voort tot ver in 1916.