Trouw Dagblad, 4 juni 2005
Drs. Arend Jan Boekestijn, Universiteit Utrecht (The Netherlands)

’s Middags spreek ik met prof. Mensur Akgűn van de stichting TESEV (economische en sociale studies) over de Armeense kwestie. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht Turkije aan de kant van de Centrale mogendheden (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Bulgarije) tegen de Entente mogendheden (Engeland, Frankrijk en Rusland). Volgens de Armeniërs en veel westerlingen hebben de Turken in 1915 genocide gepleegd op de (christelijke) Armeniërs in het Ottomaanse Rijk. Deze kwestie ligt zeer gevoelig in Turkije, ook omdat sommige beschuldigingen zijn gebaseerd op documenten die later vervalst bleken te zijn.


Turks Dagboek

Trouw Dagblad, 4 juni 2005
Drs. Arend Jan Boekestijn, Universiteit Utrecht (The Netherlands)

Zondag 15 mei 2005
In de businessclass van mijn vliegtuig naar Istanboel bieden de Nederlandse zakenlieden hoog tegen elkaar op. De een koopt massaal appartementen op aan de Turkse Rivièra en hoopt die over vijf jaar met grote winst te verkopen. De ander overweegt een kliniek te openen waar landgenoten tegen eenvijfde van de Nederlandse kosten hun ogen kunnen laten laseren. Zij zijn er allemaal van overtuigd dat de corruptie en bureaucratie in Turkije langzaam verminderen. En Turken zijn harde werkers, kom daar in Nederland maar eens om.

In Istanboel stap ik over op een vlucht naar Ankara. Naast mij zit een voetballer van het Turkse team onder de 17 jaar. Trots laat hij mij een fors uitgevallen gouden plak van de Europese kampioenschappen zien. Het Nederlandse team ging in de finale met 2-0 ten onder. In mijn hotel in Ankara bereid ik mijn gesprekken van morgen voor. Diep in de nacht knallen onder mijn hotelraam twee auto’s tegen elkaar. De chauffeurs slingeren elkaar verwensingen naar het hoofd. Ik hoop dat mijn gesprekken beter gaan.

Maandag 16 mei 2005
’s Ochtends bezoek ik het SAM (Center for Strategic Research), dat deel uitmaakt van het Turkse ministerie van buitenlandse zaken. De voorzitter van SAM, ambassadeur Murat Bilhan, is een erudiete man die door zijn medewerkers op handen gedragen wordt. Zijn eigen leven is een mooi voorbeeld van de scheiding van kerk en staat in Turkije. Hij is een overtuigd aanhanger van het seculiere model, maar is ook soefi-moslim en zit in het bestuur van twee moskeeën. Religie beschouwt hij als een privé-aangelegenheid. Zijn kinderen zijn getrouwd met katholieken en alle partijen hebben hun eigen geloof behouden.

Bij het gesprek is ook mevrouw Ebru Barutçu Gökdenizler aanwezig. Zij is hoofd van de beleidsstaf van het Turkse ministerie van buitenlandse zaken. Ik vraag hen hoe ik de groeiende anti-Amerikaanse sentimenten in de Turkse publieke opinie moet plaatsen. Zij vertellen mij dat die sentimenten een lange voorgeschiedenis hebben. President Őzal (1989-1993) was een trouwe bondgenoot van Bush sr in de Eerste Golfoorlog. Őzal begreep dat zijn land door de val van het communisme en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie aan strategische waarde had ingeboet. Hij was niet vergeten dat de Turkse premier Adnan Menderes (1950-1960) het NAVO-lidmaatschap mede had verworven door Turkse troepen te laten meevechten in de Koreaanse oorlog. Őzal redeneerde dat Turkse deelname aan een westerse coalitie tegen Saddam gunstig zou kunnen zijn voor toetreding van Turkije tot de Europese Unie.

Özals pro-Amerikaanse lijn vond echter geen genade bij de oppositie en de publieke opinie. De tegenstand nam toe toen Őzal de Amerikanen het recht gaf om vanaf Incirlik bombardementsvluchten op Irak uit te voeren, waardoor Turkije in de frontlinie kwam te liggen. Gelukkig ontsnapte Turkije aan Iraakse luchtaanvallen. Na de oorlog verslechterde de situatie in Turkije. Bush sr stootte niet door naar Bagdad, waardoor Saddam de gelegenheid kreeg om de Koerdische rebellen in het noorden te bestoken. Grote aantallen Koerden vluchtten naar Iran en probeerden via de noordelijke grens Turkije te bereiken. De Turkse regering, die zich verzet tegen een Koerdische afscheidingsbeweging in eigen land, zag deze ontwikkeling met lede ogen aan. Uiteindelijk werd de vluchtelingenstroom gestuit door de instelling van een veiligheidszone in Noord-Irak.

Na de Eerste Golfoorlog maakte Turkije de balans op. Het land was economisch zwaar getroffen door het verlies aan toerisme-inkomsten en het VN-embargo tegen Irak. De veiligheidszone in Noord-Irak verschafte de Koerdische afscheidingsbeweging PKK een uitvalsbasis van waaruit Turkije bestookt kon worden. En de Turken stelden teleurgesteld vast dat hun deelname aan de oorlog het EU-lidmaatschap niet dichterbij had gebracht.

De Tweede Golfoorlog in 2003 was in Turkije nog minder populair dan de Eerste. Veel Turken meenden dat het Saddam-regime vanzelf wel zou instorten. Bovendien vreesden ze dat een Amerikaanse bezetting zou resulteren in een burgeroorlog waarin de Koerden hun ideaal van een Koerdistan konden verwezenlijken, wat het Koerdische probleem in Turkije alleen maar zou verergeren en het lot van de Turkmeense minderheid in Noord-Irak, die in omin leefde met de Koerden, zou verslechteren. Ook zagen sommige nationalistische groeperingen met lede ogen aan dat het olierijke Kirkuk in Noord-Irak steeds meer in Koerdische handen kwam.

De Turken staan bovendien kritisch tegenover de Amerikaanse democratiseringsdrift. Zij verwerpen de gedachte van de Brits-Amerikaanse arabist Bernard Lewis dat men het Turkse seculiere model aan Irak kan opleggen. Volgens hen is Turkije uniek en is democratisering alleen mogelijk als ze door het volk gedragen wordt. Bovendien is de Turkse invloed in het Midden-Oosten beperkt. Turkije is immers seculier, bevindt zich in het Amerikaanse kamp en onderhoudt militaire banden met Israël.

Turkije kan het zich echter niet veroorloven om zijn scepsis over de export van democratie breed uit te meten. Het probeert een zelfstandige rol te spelen in het Midden-Oosten, maar kan zich niet te ver verwijderen van de Amerikaanse politiek. Turkije is bijvoorbeeld voorzitter van een conferentie van buurstaten van Irak die voor het eerst in januari 2003 bijeenkwam om te proberen een Amerikaanse aanval af te wenden. Dat mislukte jammerlijk door Saddams houding en de verdeeldheid van de buurstaten. Nu er in Irak verkiezingen zijn geweest, rest Turkije weinig anders dan mee te zingen in het democratiseringskoor.

’s Middags bezoek ik Yaşar Yakış, voormalig ambassadeur in Egypte, Jordanië, Saoedi-Arabië en de VN, voormalig minister van buitenlandse zaken en medeoprichter van de Gerechtigheids- en Ontwikkelingspartij (de nu regerende AK Partij). Yakis is door zijn gevorderde leeftijd voor niemand meer een bedreiging. Hij neemt dan ook geen blad voor de mond. Hij vertelt hoe geschokt hij was door Erdogans voorstel om overspel strafbaar te stellen. Erdogan beoogde daarmee de ondermijning van de familiemoraal door de grote toestroom van Russische prostituèes (de zogenaamde Natasha’s) tegen te gaan. Hij had niet door dat dit voorstel een negatieve invloed zou hebben op de westerse publieke opinie. Het raakte immers de belangen van andere landen niet? Yakis was blij dat Brussel afwijzend reageerde en Erdogan het voorstel introk.

Yakis is somber over de situatie in Irak. Hij was sceptisch over de oorlog maar vreest nu de chaos die een Amerikaanse terugtrekking teweeg zou brengen. Dat moet ten koste van alles voorkomen worden. De enige weg vooruit is niet de aankondiging van een datum waarop de VS zich zal terugtrekken, maar een versnelde opbouw van een Iraaks leger en het betrekken van de soennieten bij de regering. Hij denkt dat de belangen van de VS en Turkije in de toekomst weer zullen samenlopen.

Dinsdag 17 mei 2005
’s Morgens vroeg ontmoet ik Sinan Aygün, voorzitter van de Kamer van Koophandel van Ankara. Aygűn zoekt zijn kracht zelden in de nuance. En vandaag is hij dat al helemaal niet van plan aangezien hij woedend is over het Nederlandse besluit om Onur Air vanwege veiligheidsproblemen niet meer toe te staan gebruik te maken van hun vliegvelden. ‘Waarom hebben de Belgen dat niet gedaan en jullie wel?’ Aygün is op hoge poten naar de Nederlandse ambassadeur gegaan, maar die wilde hem niet ontvangen. Ik antwoord hem dat ook Duitsland, Frankrijk en Zwitserland Onur Air uit de lucht hebben gehaald. Zou het niet beter zijn het veiligheidsprobleem zo snel mogelijk op te lossen? Mijn reactie bevredigt hem niet.

Aygün is tegenstander van toetreding van Turkije tot de EU. Hij is teleurgesteld dat de vrijmaking van het industriële handelsverkeer met de EU sinds 1995 heeft geleid tot een groot handelstekort voor Turkije. Hij ergert zich aan het feit dat Turkse zakenlieden 12 uur moeten wachten op een visum voor Nederland. Zo kunnen Turken niet concurreren met EUondernemers. Turkije heft bovendien hoge belasting op elektriciteit en benzine, waardoor het een concurrentienadeel heeft. Vanwege het begrotingstekort kan de regering die belasting niet verlagen. Aangezien een Turks EU-lidmaatschap sommige van deze problemen kan oplossen vraag ik hem waarom hij daartegen is. Ik krijg geen duidelijk antwoord.

Om 12 uur ontmoet ik prof. Vahit Bıçak, voorzitter van het Mensenrechten-bureau dat ressorteert onder de minister-president. Hij klaagt dat hij slechts drie inspecteurs heeft en een staf van slechts 30 man. Biçak heeft een systeem van provinciale raden gecreëerd waar iedereen klachten kan indienen. Hij is ervan overtuigd dat hiervan op termijn een preventieve werking zal uitgaan. Turkije maakt overigens wel degelijk vorderingen op het gebied van de mensenrechten. Het aantal overtredingen stijgt weliswaar, maar dat komt doordat er nu beter gecontroleerd wordt. Aan het einde van mijn bezoek spreekt hij zijn vrees uit dat Turkije zonder EU-druk het tempo van de hervormingen niet zal kunnen vasthouden.

Daarna bezoek ik Gündüz Aktan, oud-ambassadeur in Athene, Tokio en bij de VN, columnist en voorzitter van een strategisch studiecentrum dat zich richt op Eurazië (ASAM). Gündüz publiceert regelmatig over de grenzen van het secularisme. Hij meent dat Kemal Atatürk te rigide is omgegaan met de islam. Geïnspireerd door de Franse Verlichting stond hij zeer argwanend tegenover religie. Het was beter geweest als hij zich had laten inspireren door de Schotse Verlichting die religie positiever beoordeelt. Het antireligieuze karakter van het kemalisme speelt de huidige fundamentalisten alleen maar in de kaart.

Gündüz vindt het verstandiger om de verlichte moslims te steunen. Hij is erg geïnteresseerd in de tiende-eeuwse liberale islamitische denker Abu Mansur Al-Maturidi die de rede belangrijker vond dan de openbaring. Hij propageerde zelfs een scheiding van kerk en staat. In Turkije zijn meer dan vijftig proefschriften verschenen over Al-Maturidi.

Gündüz is aangenaam verrast door de AK-partij, waar hij ideologisch ver afstaat. Het kemalisme weet de ondergang van het Ottomaanse rijk aan de islam. In het nieuwe Turkije van Atatürk werd de islam onderdrukt. De AK-partij is volgens Gündüz een poging om Turkije te verzoenen met zowel zijn traditie als de democratie. Erdogan heeft als islamist een grote ontwikkeling doorgemaakt. Hij heeft zich losgemaakt van een eerdere islamitische partij omdat hij die te extreem vond. Gündüz staat positief tegenover Erdogans poging om binnen de seculiere orde meer ruimte te scheppen voor de islam.

Ten slotte breng ik een bezoek aan Ali Babacan, de jeugdige en zeer succesvolle minister van financiën. Hij ging in 2001 naar de VS om het AK-programma voor de Amerikaanse haute finance toe te lichten. Hij noemde daar economische streefcijfers die twee jaar later bewaarheid werden. Buitenlandse investeringen groeiden in 2004 tot 2,5 miljard dollar. Zijn streefcijfer voor de komende drie jaar is 15 miljard. Hij is een secularist, maar wil meer religieuze vrijheid voor het individu. Als mensen hoofddoekjes willen dragen dan moet dat kunnen. Hij erkent dat Erdogans voorstel om overspel te straffen catastrofaal was voor het imago van Turkije in het Westen. Hij was het er ook inhoudelijk niet mee eens maar slaagde er niet in om Erdogan tegen te houden.

’s Avonds een diner met de Kamer van Koophandel van Ankara. Uitgeput naar bed.

Woensdag 18 mei
In Istanboel glinsteren de Bosporus en de Aya Sofia in de zon. Ik breng een bezoek aan prof. Karakaş, vice-rector van de Bahçeşehir universiteit. Hij is econoom en voorstander van Turkse toetreding. Hij meent dat alleen het EU-lidmaatschap Turkije uit de vicieuze cirkel kan halen. De Turkse economie kent drie problemen. Ten eerste is er een vertrouwenscrisis. De combinatie van een gering vertrouwen in politieke en economische stabiliteit met een hoog overheidstekort en een hoge staatsschuld leidt tot hoge reële renteniveaus, muntdepreciatie en inflatie. Ten tweede is er een bestuurscrisis. De tekortkomingen in het openbaar bestuur ondermijnen de kwaliteit van de overheidsdiensten en het vermogen om sturend op te treden. Tenslotte is er een crisis in de economie. Het gebrekkige overheidsoptreden stimuleert het bedrijfsleven om activiteiten over te hevelen naar het zwarte circuit. Daardoor neemt de belastingdruk toe op bedrijven die de officiële spelregels wel blijven volgen.

Het vooruitzicht van EU-onderhandelingen heeft de Turkse economie positief beïnvloed. Van alle OESO-landen groeit Turkije nu het snelst. Ook de arbeidsproductiviteit stijgt. Helaas is de werkloosheid hardnekkig. En niemand weet hoe lang de economische groei zal aanhouden. Alleen een toename van buitenlandse investeringen als gevolg van het vooruitzicht van EU-toetreding kan het tekort op de lopende rekening beperken. Zonder buitenlandse investeringen komt er geen politieke stabiliteit, aangezien geen enkele regering een economische crisis overleeft. En zonder politieke stabiliteit zal de Turkse regering nooit kans zien het belastingdraagvlak te verbreden.

In Turkije betaalt slechts 15 procent van de kiezers belasting. Atatürks wens om het seculiere model aan Turkije op te leggen, dwong hem om de belastingen voor de boeren en de kleine ondernemers af te schaffen. Dit was de prijs voor de secularisatie, die de industrialisatie vertraagde. En geen enkele Turkse politicus heeft het aangedurfd om die belastingvrijstelling weer af te schaffen. De kleine groep kiezers die wel belasting betaalt, ervaart dit als dermate onrechtvaardig dat zij er alles aan doet om de belasting te ontduiken. De 85 procent die vrijgesteld is, heeft de neiging de overheid te overvragen, omdat zij er toch niet voor hoeft te bloeden. De enige oplossing is misschien om alleen de belastingbetalers kiesrecht te geven.

’s Middags spreek ik met prof. Mensur Akgűn van de stichting TESEV (economische en sociale studies) over de Armeense kwestie. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht Turkije aan de kant van de Centrale mogendheden (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Bulgarije) tegen de Entente mogendheden (Engeland, Frankrijk en Rusland). Volgens de Armeniërs en veel westerlingen hebben de Turken in 1915 genocide gepleegd op de (christelijke) Armeniërs in het Ottomaanse Rijk. Deze kwestie ligt zeer gevoelig in Turkije, ook omdat sommige beschuldigingen zijn gebaseerd op documenten die later vervalst bleken te zijn.

Veel Turken wijzen erop dat de Armeniërs gewoon onderdanen waren van het Ottomaanse Rijk, die in een oorlogssituatie en vaak opgestookt door de Russen streefden naar afscheiding en daarbij veel moslims om het leven brachten. Verder zou de Armeense lobby in de VS het aantal omgekomen Armeniërs overdrijven. Volgens de Turken zijn er geen 2 miljoen Armeniërs omgekomen, maar 600.000 tot 900.000. Ook zeggen zij dat er op het hoogste niveau geen vooropgezet plan bestond om de Armeniërs uit te moorden en dat daarom de aanklacht van genocide onjuist is. Wel willen zij accepteren dat de deportaties in sommige gevallen misbruikt zijn om Armeniërs af te slachten.

Aangezien het Westen deze voorstelling van zaken afwijst, bemoeilijkt de Armeense kwestie de EU-onderhandelingen. De Turkse regering zoekt een uitweg, maar wordt met argusogen gevolgd door de publieke opinie en de oppositie. In een speech op 13 april jl. heeft minister van buitenlandse zaken Abdullah Gül (in 2002 waarnemend premier voor Erdogan) de gebeurtenissen in 1915 een tragedie genoemd. Erdogan durft niet naar het Internationale Hof in Den Haag te gaan omdat de nationalisten dat niet zullen accepteren. Prof. Akgűn vindt dat hij dat wel moet doen, omdat de kans groot is dat de Turken zullen winnen. Artikel 2 van de Genocide Conventie van 1948 spreekt over intentioneel handelen en dat was volgens hem in Turkije in 1915 niet het geval.

De Turkse regering bevindt zich in een lastig parket. De nationalisten gebruiken de Armeense kwestie als een argument tegen EU-toetreding. Akgün steunt Erdogans voorstel aan de Armeniërs om de kwestie te laten onderzoeken door onafhankelijke historici. De Armeense regering heeft dit voorstel echter afgewezen. Akgün lijkt het een goed idee om voortaan niet alleen de Turkse, maar ook de Armeense slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog te herdenken. Hij hoopt op een overeenkomst tussen Turkije en Armenië, waarbij Armenië zijn genocide-aanklacht laat vallen en Turkije in ruil daarvoor de grens met Armenië opent en investeert in de Armeense economie. Turkije heeft haast omdat de belangrijke oliepijplijn van Bakoe aan de Kaspische Zee naar de Turkse haven Ceyhan over Armeens grondgebied loopt, en gemakkelijk doelwit van een aanslag kan worden.

Akgűn benadrukt dat een Turkse vervreemding van het Westen grote gevaren in zich bergt. Turkije werd tegen de wens van Egypte en Saoedi-Arabië voorzitter van de islamitische Liga. De Saoediërs kwamen daar later op terug en gingen de oude islamitische banden uit de Ottomaanse tijd benadrukken. Als Turkije zich richt op deze oude dromen ontstaat een gevaarlijke situatie. Dat is niet denkbeeldig, aangezien Abdullah Gül al onlangs in Tunesië zinspeelde op een Gemenebest van Ottomanen. Turkije zal dan de banden met de Turkmenen in Azerbeidzjan, Kirgizië en Turkmenistan aanhalen. Ook zal dan de strijd in Nagorno Karabach zeker weer oplaaien. Turkije steunde Azerbeidjan in de jaren negentig in de oorlog om de Armeense enclave Nagorno Karabach in Azerbeidjan, die zich wilde aansluiten bij Armenië. Nagorno Karabach heeft zich in 1991 onafhankelijk verklaard, maar is niet als zodanig erkend door de internationale gemeenschap. Als Turkije nu de banden tussen moslims benadrukt en nog meer opkomt voor de belangen van het islamitische Azerbeidjan zullen de spanningen in in Nagorno Karabach snel weer oplopen.

Als Turkije de etnische en religieuze banden met de vroegere islamitische inwoners van het Ottomaanse Rijk weer gaat aanhalen, is de ellende niet te overzien. Turkije zal de Palestijnen gaan steunen. En de 3,5 miljoen Turken in Duitsland en andere West-Europese landen zullen daar ook bij betrokken raken. De Europese Unie dient zich dus twee keer te bedenken voordat zij de deur voor Turkije dichtgooit.

‘s Avonds bezoek ik de voormalige Oxford-hoogleraar Norman Stone, auteur van het meesterlijke Europe Transformed 1878-1919 en kenner van de Russische geschiedenis. Stone werkt al acht jaar aan de universiteit van Bilkent. In de buurt van zijn appartement laat hij mij talloze christelijke kerken zien, die allemaal een kwijnend bestaan lijden. Ook bezoeken wij de vroegere ambassade van Genua en een oude gevangenis van de Britse ambassade. In Istanboel ligt de geschiedenis om elke hoek van de straat.

Donderdag
‘s Ochtends ga ik naar het redactiekantoor van de Turkse krant Hürriyet. Ik lunch met twee journalisten. Sami Cohen schrijft vijf keer per week een column over buitenlandse politiek voor de Turkse krant Milliyet en levert ook regelmatig een bijdrage aan Newsweek. Ferai Tinç schrijft een dagelijkse column voor Hürriyet. Cohen is lang correspondent in Amerika geweest. Hoewel een trouw sociaal-democraat, is hij positief over het pragmatisme van de regering Erdogan. Hij vertelt dat Erdogan en het leger de VS-invasie in Irak eigenlijk wilden steunen, maar dat niet al te openlijk konden doen vanwege de anti-Amerikaanse publieke opinie. Het leger eiste wel een Turkse aanwezigheid in Noord-Irak, maar daartoe was Bush niet bereid. Uiteindelijk bond het leger in omdat de VS te belangrijk zijn voor Turkije. Bovendien wilde Turkije graag een rol spelen in de wederopbouw van Irak.

Het anti-amerikanisme in Turkije bereikte het kookpunt toen er in juni 2003 een incident plaatsvond in Sulaimanjah in Noord-Irak, waar Talibani, de leider van de PUK (Patriottische Unie Koerdistan), resideert. Amerikaanse soldaten namen elf Turkse officieren gevangen en deden een zwarte zak over hun hoofd. Die beelden leidde tot grote ontzetting in Turkije. De Amerikanen meenden dat deze Turken wapens leverden aan Turkmenen die een appeltje te schillen hadden met de Koerden. Het anti-amerikanisme nam nog verder toe toen de VS weigerden een PKK-kamp te vernietigen van waaruit aanslagen werden gepleegd in Turkije. De VS hadden geen behoefte aan een oorlog in het Noorden. Vanwege de Koerdische steun voor de Amerikaanse aanval op Irak moest ruzie met Talibani voorkomen worden. Ook de latere beelden van Abu Graib en Fallujah versterkten het anti-amerikanisme. Toch menen zowel Tinc als Cohen dat Turkije geen andere keus heeft dan de Amerikanen te blijven steunen. Rusland is verzwakt en een oriëntatie op de Turkmenen in de gebieden buiten Turkije levert economisch en politiek weinig op.

Vrijdag
‘s Ochtends ontmoet ik Fikret Ilkiz, Turks expert op het gebied van de vrijheid van meningsuiting. Hij adviseert tv-stations en kranten. Ilkiz is een communist. Als student ageerde hij in de jaren zestig tegen de Turkse regering en de Amerikanen. In 1972 werd hij veroordeeld en gemarteld door het militair bewind. In 1980 verdedigde hij de kinderen van zijn vrienden in rechtszaken die het militaire bewind tegen hen voerde.

Onlangs beeldde een cartoonist Erdogan uit als een kat. Erdogan begon een rechtszaak tegen de cartoonist. De rechter in Ankara, die de zaak behandelde, was gelieerd aan de AK partij van Erdogan en legde de cartoonist een boete van 5000 euro op. De zaak is nu in hoger beroep. De meeste kranten spraken schande van Erdogan en gingen hem vergelijken met een complete dierentuin.

De aanleiding voor de cartoon van een kat die draden uit een bol garen trekt en daar geheel in verstrikt raakt, was Erdogans voorstel om afgestudeerden van de koranscholen toe te laten tot de universiteit. Fikret is daar tegen. Hij gelooft niet in de theorie dat een fundamentalist aan de universiteit minder fundamentalistisch wordt. Bovendien is hij bang dat Erdogan zodoende werkt aan een kader van hem vriendelijk gezinde rechters.

Een ander geval demonstreert hoezeer Erdogan wordt ingeperkt door het Turkse seculiere model. De AK partij bepleit de afschaffing van het hoofddoekverbod in staatsinstellingen. De seculiere stroming in Turkije volgt Erdogans acties daarom kritisch. Toen een Turkse studente bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg een verzoek indiende om een hoofddoek te mogen dragen op de universiteit had de regeringsvertegenwoordiger van Erdogan weinig andere keus dan tegen de afschaffing van het bestaande verbod te pleiten. Het Hof in Straatsburg bepaalde in juni vorig jaar dat het Turkse hoofddoekverbod niet als schending van de mensenrechten kan worden beschouwd.

Nieuwe zaken bij het Hof worden in Turkije nauwlettend gevolgd. Sommigen zeggen dat Erdogan na 17 december, toen Turkije het groene licht kreeg voor EU-onderhandelingen, zijn verdediging van het hoofddoekverbod heeft afgezwakt door bepaalde sterke argumenten in te trekken. Het ziet er overigens niet naar uit dat het Hof in Straatsburg het hoofddoekverbod in Turkije ooit zal verbieden. De speelruimte van Erdoğan is dus beperkt.

‘s Middags ontmoet ik Murat Belge en Emel Kurma van de Helsinky Citizens Assembly. Dit is een organisatie die van onderop bewustzijn probeert te kweken voor mensenrechten. Belge en Kurma vrezen dat een afwijzing van de EU zal leiden tot een politiek vacuüm gevolgd door weer een nieuwe militaire dictatuur. Dat is des te betreurenswaardiger omdat de huidige Turkse regering daadwerkelijk vorderingen maakt op het gebied van de mensenrechten, die helaas onvoldoende worden gezien door het Westen. Toen directeur Dick Oosting van Amnesty International onlangs stelde dat Turkije qua schendingen van de mensenrechten op hetzelfde niveau zit als China, Congo en Rusland dan overdrijft hij volgens hen niet alleen, maar ontkent hij ook de gedane inspanningen om naleving van de mensenrechten te verbeteren. Europese laatdunkendheid zet pedagogisch en psychologisch geen zoden aan de dijk. Europa moet geduld hebben.

Murat steunt in zijn columns een afscheiding van het Koerdische gebied. Hij denkt dat dit de enige manier is om het PKK-probleem op te lossen. Dit standpunt is buitengewoon controversieel in Turkije. De grote meerderheid wil geen centimeter terrein prijsgeven. Zij wijst erop dat zeer veel Koerden zelf de PKK afwijzen en hoge posities in de Turkse samenleving innemen. Zij vreest ook dat een aparte Koerdische staat het Koerdische probleem niet zal oplossen, omdat zo’n staat economisch geen toekomst heeft. Zij gelooft meer in een harde aanpak van de terroristen en investeringen in de economie van de gebieden in Oost-Turkije.

Murat Belge is bereid om de genocide op de Armeniërs te erkennen. Een dag nadat ik teruggekomen was uit Turkije werd een conferentie hierover waar Murat Belge zou optreden, afgelast. De minister van justitie beschouwde de conferentie als een dolk in de rug van het Turkse volk. De regering-Erdogan nam afstand van deze uitspraak maar de drie organiserende universiteiten stelden de conferentie toch uit.

Thuisgekomen lees ik nog meer artikelen van Murat Belge. Het valt mij op dat deze man die vaak onder grote politieke druk staat toch positief is over de regering Erdogan. Ook hij vindt dat Erdogan de kans moet worden gegeven om een minder rigide vorm van het kemalisme te ontwikkelen.

Conclusie
De situatie in Turkije laat zich maar moeilijk vergelijken met die in West-Europese landen. De pijnlijke herinnering aan het verval van het oude Ottomaanse Rijk en de soms ongemakkelijke erfenis van het rigide kemalisme belasten elk politiek discours met samenzweringstheorieën. De politieke en economische instabiliteit die hieruit voortvloeit is een voedingsbodem voor nationalistische retoriek en religieus fundamentalisme.

De kernvraag is in hoeverre de huidige regering Erdogan in staat zal zijn om de Turkse natie te verenigen op basis van een minder rigide model waarbij de islam meer ruimte krijgt zonder dat het fundamentalisme, het nationalisme of de holle antiglobaliserings-retoriek van links de overhand krijgt. Of de huidige regering daarin slaagt is een open vraag. Opvallend is wel dat mijn gesprekspartners van links tot rechts verrast zijn door het succesvolle pragmatisme van de huidige regering. Ook de politieke en economische hervormingen van de huidige regering lijken een cesuur te vormen in de Turkse geschiedenis. Zal Turkije eindelijk in staat zijn om zijn economische potentieel te ontwikkelen?

Op één punt lijken mijn gesprekspartners het eens. Elke poging van de EU om de toetredingsonderhandelingen die in oktober starten te blokkeren zal de antihervormingskrachten in Turkije versterken. Indien Turkije wordt afgescheept met een speciaal arrangement in plaats van een uitzicht op een volwaardig lidmaatschap zal dat negatieve gevolgen hebben voor het Turkse hervormingsproces. Veel verstandiger lijkt het om langdurig met Turkije te gaan onderhandelen zodat de externe druk op het hervormingsproces gehandhaafd blijft. En als Turkije aan het einde van de rit zijn huiswerk heeft gedaan dan kan het een volwaardig lid worden van de Europese Unie. Dit scenario vraagt van beide partijen enorme inspanningen. Gezien de negatieve opvattingen in de Europese publieke opinie is het echter zeer de vraag of Turkije ooit lid zal worden. De huidige woordvoerders van de anti-Turkse lobby zouden zich echter nog eens moeten afvragen of het Westen na 11 september zich wel kan veroorloven dat, mede als gevolg van hun eigen houding, Turkije afdrijft naar het Oosten en het fundamentalisme aan kracht zal toenemen.